Contradictio.org is bedoeld voor het expliciteren van argumenten. Argumenten zijn weergegeven volgens een logische structuur.
Er zijn historische bewijzen voor de gebeurtenissen die de Bijbel beschrijft.
Flavius Josephus, een Joods geschiedsschrijver, vermeldt over Jezus in zijn geschiedsschrijving. "Te dien tijde was'er zekere JEZUS, een wijs mens, indien men hem anders een mensch noemen mag; want zijne werken waaren wonderbaar. Hij onderwees degenen die gaern van de waarheijd onderrecht wilden zijn: en hij wierd naagevolgd niet alleenlijk van veele Jooden, maar ook van veele Heijdenen. Deeze was de CHRISTUS, die van de Oversten onzes volks bij Pilatus aangeklaagd zijnde, door zijn bevel gekruijsigd wierdt. Doch die hem bij zijn leven bemind hadden, verlieten hem naa zijnen dood niet: want hij is hen ten derden dage weder levendig verscheenen, gelijk de godlijke Profeeten, nevens andere wonderlijke dingen, van hem voorzegd hadden. En van hem is het dat de Christenen, die tegenwoordig nog in weezen zijn, hunnen naam ontleend hebben" [GvdJ 0094, boek 18, hoofdstuk 4, p.422 in een uitgave van zijn 'Verzamelde werken'].
"Over de historiciteit [van deze tekst] wordt door zowel historici als taalkundigen getwist. Zo werd het volledige Testimonium Flavianum reeds in de 18e eeuw verworpen als een manifeste vervalsing" [NlWikipedia, 'Flavius Josephus', 2010].
De tekst onderbreekt op een opvallende manier het relaas van Flavius Josephus. Net voor de passage verhaalt Josephus van een oproer van de Joden. Na de bewuste passage over Jezus gaat het verder met "Omtrent die zelfde tijd onstond er nog een andere grote beroerte in Judea..." [GvdJ 0094, boek 28, hoofdstuk 4]. Het zou apart zijn als Josephus zijn verhaal over oproeren zou hebben onderbroken met een passage over Jezus.
De tekst kwam niet voor in de afschriften van Josephus ten tijde van Origenes; althans, Origenes spreekt alleen over de verwijzing naar Jacobus, de broer van Jezus, en was ongetwijfeld verwonderd geweest over deze passage omdat hij getuigt dat Josephus "Jezus niet voor de Messias erkende" [VoFJ 1727, hoofdstuk 8].
Als deze passage vervalst was, had de naam van Jezus op meer plekken ingevoegd kunnen worden, zoals op de plek waar Johannes de Doper wordt beschreven [GvdJ 0094, boek 28, hoofdstuk 7]. Omdat Jezus alleen maar op deze plek (behalve een andere verwijzing) wordt genoemd, is het minder waarschijnlijk dat dit een manifeste vervalsing is.
Flavius Josephus noemt ook "Joannes toegenaamd de Dooper, een zeer godvruchtig man, die de Jooden vermaande de deugd te omhelzen, gerechtigheid te oefenen, en den doop te ontvangen, naa dat zij zich aangenaam bij God zouden gemaakt hebben door hunne afstand van zonden, voegende alzo een reijn hart bij een gezuijverd lighaam" en dat Herodes Antipas hem had gedood [GvdJ 0094, boek 28, hoofdstuk 7].
Flavius Josephus noemt de naam van Jezus in [GvdJ 0094, boek 20, hoofdstuk 7, p.479 in een uitgave van Flavius Josephus' 'Verzamelde werken'], wanneer van de hogepriester 'Ananus' wordt verteld "dat hij den Raad deed tzaamenkomen, en Jakobus broeder van Jezus die genoemd wierdt Christus, nevens eenige andere daarvoor ontboodt, en hen beschuldigd hebbende dat zij de wet overtreeden hadden, deed hij hen veroordelen om gesteenigd te worden".
"Over het algemeen gaat men er tegenwoordig vanuit dat [deze passage] wel degelijk oorspronkelijk al in Antiquitates Judaicae stond. Het was heel gebruikelijk om mensen aan te duiden met hun bijnaam, aangezien veel mensen dezelfde naam hadden en er nog geen achternamen bestonden. Dat er "Jezus die Christus genoemd wordt" staat, is dan ook geheel niet vreemd, aangezien Jezus (zoals uit het Nieuwe Testament en vele andere teksten ook blijkt) door zijn volgelingen zo genoemd werd" [NlWikipedia, 'Flavius Josephus', 2010].
"Over de historiciteit [van deze tekst] wordt door zowel historici als taalkundigen getwist. [...] Door mensen als Kenneth Humphreys, G.A. Wells en William Benjamin Smith wordt aangenomen dat de interpolatie die Christus genoemd wordt in [deze] passage, het werk is van een middeleeuwse monnik, die zegt dat deze paragraaf handelt over Jezus, de zoon van Damneüs, die in opdracht van Agrippa tot hogepriester werd benoemd na de onterechte executie van zijn broer Jacobus (eveneens hogepriester)" [NlWikipedia, 'Flavius Josephus', 2010].
[GvdJ 0094, hoofdstuk 7] vervolgt inderdaad dat Ananus werd afgezet en vervangen door een Jezus, zoon van Damneüs: "[Albinus] schreef aan Ananus met verstoordheijd en bedreijginge dat hij hem zou doen straffen. Agrippa ziende dat Albinus zo vergramd was, benam Ananus het Hoogepriesterschap, het welke hij niet boven vier maanden bediend had, en gaf het aan Jezus, zoon van Damneüs."
[Saturnalia, boek 2, hfdst.4, vers 11]. Macrobius' Saturnalia bevat een verzameling van grappen door beroemdheden. De bewuste tekst waarnaar verwezen wordt: "Cum audisset inter pueros quos in Syria Herodes rex Iudaeorum intra bimatum iussit interfici filium quoque eius occisum, ait: Melius est Herodis porcum esse quam filium." Vertaald: "[D]at Herodus, de koning van de Joden had bevolen dat jongens in Syrië onder de leeftijd van twee jaar gedood zouden worden en dat de zoon van de koning onder degenen was die gedood werden". Merk op dat Israël in die tijd een provincie van Syrië was.